Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

Exodus 28

Exodus

Index

Hoofdstuk 29

1

 

  Dit nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij hetpriesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomenrammen; 

 

 


2

 

  En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurdevladen, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken. 

 

 


3

 

  En gij zult ze in een korf leggen, en zult ze in den korf toebrengen, met den var ende twee rammen. 

 

 


4

 

  Alsdan zult gij Aaron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent dersamenkomst; en gij zult hen met water wassen. 

 

 


5

 

  Daarna zult gij de klederen nemen, en Aaron den rok, en den mantel des efods,en den efod, en den borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden met denkunstelijken riem des efods. 

 

 


6

 

  En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan denhoed zetten. 

 

 


7

 

  En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; alzo zult gij hem zalven. 

 

 


8

 

  Daarna zult gij zijn zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken. 

 

 


9

 

  En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aaron en zijn zonen; en gij zulthun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwigeinzetting. Voorts zult gij de hand van Aaron vullen, en de hand zijner zonen. 

 

 


10

 

  En gij zult den var nabij brengen voor de tent der samenkomst; en Aaron en zijnzonen zullen hun handen op het hoofd van den var leggen. 

 

 


11

 

  En gij zult den var slachten voor het aangezicht des HEEREN, voor de deur vande tent der samenkomst. 

 

 


12

 

  Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uw vinger op de hoornendes altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. 

 

 


13

 

  Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk het ingewand bedekt, en het net over delever, en beide nieren en het vet, dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op hetaltaar. 

 

 


14

 

  Maar het vlees des vars, en zijn vel, en zijn drek, zult gij met vuur verbranden,buiten het leger; het is een zondoffer. 

 

 


15

 

  Daarna zult gij den ene ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen ophet hoofd des rams leggen; 

 

 


16

 

  En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaarsprengen. 

 

 


17

 

  En den ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn schenkelenwassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen. 

 

 


18

 

  Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer denHEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE. 

 

 


19

 

  Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handenop des rams hoofd leggen; 

 

 


20

 

  En gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechteroorlapje van Aaron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, desgelijks op denduim hunner rechterhand, en op den groten teen huns rechtervoets; en dat bloedzult gij op het altaar sprengen, rondom heen. 

 

 


21

 

  Dan zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zultop Aaron en op zijn klederen sprengen, en op zijn zonen en op de klederen zijnerzonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn klederen, ook zijn zonen, en deklederen zijner zonen met hem. 

 

 


22

 

  Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet, dathet ingewand bedekt, en het net der lever en de beide nieren, met het vet, dat aandezelve is, en den rechterschouder; want het is een ram der vulofferen; 

 

 


23

 

  En een broodbol, en een koek geolied brood, en een vlade, uit den korf derongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN zijn zal; 

 

 


24

 

  En leg ze alle op de handen van Aaron, en op de handen zijner zonen, en beweegze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN. 

 

 


25

 

  Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer,tot een liefelijken reuk voor het aangezicht des HEEREN; het is een vuuroffer denHEERE. 

 

 


26

 

  En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aaron is, en beweeg hemten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en het zal u ten dele zijn. 

 

 


27

 

  En gij zult de borst des beweegoffers heiligen, en de schouder des hefoffers, diebewogen, en die opgeheven zal zijn van den ram des vuloffers, van hetgeen datAarons, en van hetgeen dat zijner zonen is. 

 

 


28

 

  En het zal voor Aaron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege dekinderen Israels; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderenIsraels zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor den HEERE zijn. 

 

 


29

 

  De heilige klederen nu, die van Aaron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen nahem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hun hand in dezelve vulle. 

 

 


30

 

  Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zalworden, die in de tent der samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen. 

 

 


31

 

  Gij zult den ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden. 

 

 


32

 

  Aaron nu en zijn zonen zullen het vlees van dezen ram eten, en het brood, dat inden korf zal zijn, bij de deur van de tent der samenkomst. 

 

 


33

 

  En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hunhand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want zezijn heilig. 

 

 


34

 

  En indien er wat overblijven zal van het vlees der vulofferen, of van dit brood, totaan den morgen, zo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal nietgegeten worden, want het is heilig. 

 

 


35

 

  Gij zult dan aan Aaron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u gebodenheb; zeven dagen zult gij hun hand vullen. 

 

 


36

 

  Gij zult ook des daags een var des zondoffers bereiden, tot de verzoeningen, engij zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelve; en gij zulthet zalven, om het te heiligen. 

 

 


37

 

  Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdanzal dat altaar een heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zalheilig zijn. 

 

 


38

 

  Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn,des daags, geduriglijk. 

 

 


39

 

  Het ene lam zult gij des morgens bereiden; maar het andere lam zult gij bereidentussen de twee avonden. 

 

 


40

 

  Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestotenolie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. 

 

 


41

 

  Het andere lam nu zult gij bereiden tussen de twee avonden; gij zult daarmededoen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer deszelven, toteen liefelijken reuk; het is een vuuroffer den HEERE. 

 

 


42

 

  Het zal een geduriglijk brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tentder samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; aldaar zal Ik met uliedenkomen, dat Ik aldaar met u spreke. 

 

 


43

 

  En daar zal Ik komen tot de kinderen Israels; opdat zij geheiligd worden doorMijn heerlijkheid. 

 

 


44

 

  En Ik zal de tent der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal ook Aaronen zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen. 

 

 


45

 

  En Ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en Ik zal hun tot een God zijn. 

 

 


46

 

  En zij zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, Die hen uit Egyptelanduitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben de HEERE,hun God.  

 

 


Exodus 30

 

 

 

 

HTMLBible Software - Public Domain Software by johnhurt.com

 


Other Items are Available At These Sites: